FilmMagie-logo-white

Turtles Can Fly

(2004,
Iran/Irak/Frankrijk)
(2004,
Iran/Irak/Frankrijk)
2006

Regisseur

Bahman Ghobadi

Producer

Mij Film Co, Bahman Ghobadi

Scenario

Bahman Ghobadi

Acteurs

Avaz Latif – Agrin, Soran Ebrahim – Satellite, Saddam Hossein Feysal – Pasheo, Hiresh Feysal Rahman – Hangao, Ajil Zibari – Shirko, Abdol Rahman Karim – Rega

Cinematografie

Shahriyar Assadi

Montage

Mostafa khergheh Poosh en Hayedeh Safi Yari

Muziek

Hossein Ali Zadeh

Prijzen

Filmduur

98 min

Twee weken na de val van Saddam Hoesseins regime reisde de Iraans-Koerdische filmmaker Bahman Ghobadi (°1969) vanuit Teheran naar Bagdad. Met een kleine digitale camera filmde hij het leven rondom zich. Terug thuis bleven vooral de beelden van de door landmijnen verminkte Koerdische kinderen hem achtervolgen. Ghobadi trok opnieuw naar het Koerdische grensgebied tussen Irak en Turkije en onder bijzonder harde en moeilijke omstandigheden nam hij er  turtles can fly  op, een lyrisch-poëtisch drama over het lot van weeskinderen in een Koerdisch vluchtelingenkamp en de eerste Iraakse film sinds het einde van Saddams bewind.

turtles can fly  won diverse prijzen, onder meer de publieksprijs in Rotterdam en een speciale vermelding in Berlijn. Net als in Bahman Ghobadi’s eerste speelfilm een tijd voor dronken paarden, in 2000 winnaar van de Caméra d’Or in Cannes, spelen in  turtles can fly  kinderen de hoofdrol. Ghobadi: “De hoofdrolspelers uit mijn films zijn kinderen die het leven van volwassenen leiden. Dat is typerend voor mensen die opgroeien in Koerdistan. Bovendien wilde ik een antioorlogsfilm maken: omdat het een film is over de mijnen, is het logisch dat gehandicapte kinderen een hoofdrol spelen. Ook nu lopen er gemiddeld nog vier kinderen per dag op een mijn in Koerdistan: in Iran, Irak en Turkije. Er zijn in Koerdistan meer gehandicapten dan u ooit in uw leven heeft gezien. Maar het is ook een symbool voor de Koerdische samenleving. Zolang mijn samenleving gehandicapt is, zolang zij nog niet volwaardig kan functioneren, zullen onvolmaakte en abnormale elementen in mijn films terug blijven keren.

In  turtles can fly  /  lakposhtha hâm parvaz mikonand, dat zich afspeelt in een Koerdisch vluchtelingenkamp aan de Iraaks-Turkse grens vlak voor de Amerikaanse invasie van Irak, toont Ghobadi een realiteit die zelden de nieuwsactualiteit haalt. Zijn van humor doordrongen drama toont immers het lot en het leven onder psychologische terreur van verweesde en vaak door landmijnen verminkte kinderen. De ironie wil dat diezelfde kinderen overleven dankzij de hachelijke zoektocht naar en de verkoop van landmijnen aan VN-vredessoldaten.

Het sobere en lyrisch-poëtisch ingehouden  turtles can fly  opent met de vinnige speelsheid van een Italiaanse komedie. Boven op een heuveltop, met uitzicht op het modderige vluchtelingenkamp beneden in de vallei, zijn enkele knapen en volwassenen in de weer met het optrekken van tv-antennes. Het commando wordt bepaald door Kak Satellite (Soran Ebrahim), een ondernemend kereltje van dertien, rad van tong en met een te grote bril. Satellite heeft zijn bijnaam niet gestolen, want hij is de technische bolleboos van het uit blauwe tenten en vernielde tanks opgetrokken vluchtelingenkamp. Iedereen, met de religieuze ouderlingen op kop, is hongerig naar nieuws over de nakende Amerikaanse invasie. En dus wordt de blufferige Satellite opgetrommeld om een schotelantenne te installeren en het CNN-nieuws te vertalen, ook al spreekt hij nauwelijks enkele woorden Engels (“Dat het morgen gaat regenen,” luidt zijn ludieke vertaling van een commentaar van Bush).

Satellite dweept met de komst van de Amerikanen, want dat staat volgens hem voor “sciencefiction, Titanic, Bruce Lee en… Zidane”. Maar Satellite is vooral een vernuftige ondernemer en een soort makelaar in landmijnen. Met zijn bende, voor wie hij een echte vaderfiguur is, kamt hij de velden en heuvels van de streek uit op zoek naar het levensgevaarlijke tuig.

Zijn positie als groepsleider begint evenwel te wankelen door de aanwezigheid van Hengov, een jongen zonder armen die mijnen met zijn tanden uitschakelt en die de toekomst kan voorspellen. Hengov zegt bijvoorbeeld dat over 275 dagen iets gebeurt dat nog erger is dan wat er nu gebeurt. Op 1 februari 2004 werd een aanslag gepleegd op het hoofdkwartier van de Koerdische Democratische Partij (KDP) en de Patriottische Unie van Koerdistan in Arbil, de hoofdstad van de regio in het Noordoosten van Irak waar de film zich afspeelt.
Meer dan 150 mensen werden gedood. Dat was een week nadat cast en crew daar vertrokken waren.

Satellite voelt zich sterk aangetrokken tot Hengov’s zwijgzame zus Agrin (Avaz Latif), een getraumatiseerd meisje met een blinde baby. Het is vooral in de relatie tussen Satellite en de wanhopige Agrin dat Ghobadi ons de pijn en het lijden van Koerdische kinderen laat voelen.

Voor deze vertrapte kinderzieltjes en oorlogsslachtoffers is de enige manier om aan het leed te ontsnappen het gebruik van magische poëzie en dat zorgt voor mooie symbolische beelden. Ghobadi is nooit uit op medelijden of goedkope schokeffecten. Uit deze antioorlogsfilm, opgedragen aan al de onschuldige kinderen ter wereld die het slachtoffer zijn van de politiek van dictators en fascisten, spreekt een enorme bewondering voor het koppige doorzettingsvermogen, de moed, de onafhankelijkheid en vooral de humor waarmee deze van hun kindertijd beroofde en vroegrijpe kinderen zich een weg door het leven slaan.
Want – hoe vreemd of tegenstrijdig het ook mag klinken – ondanks de tragiek is het bittere en harde  turtles can fly  ook vaak een bijzonder geestig actueel antisprookje.

Nico Krols, David van Eijndhoven (de Filmkrant), Luc Joris (De Morgen)

Zie ook Film|TV|DVD nr. 550