FilmMagie-logo-white

The Last King of Scotland

(2007,
UK)
(2007,
UK)
2008

Regisseur

Kevin Macdonald

Producer

Andrea Calderwood, Lisa Bryer, Charles Steel

Scenario

Peter Morgan, Jeremy Brock naar de roman van Giles Foden

Acteurs

Idi Amin – Forest Whitaker, Nicholas Garrigan – James McAvoy, Kay Amin – Kerry Washington, Sarah Merrit – Gillian Anderson, Stone – Simon McBurney, Dr. Junju – David Oyelowo, Jonah Wasswa – Stephen Rwangyezi, Masanga – Abby Mukiibi, Dr. Merrit – Adam Kotz

Cinematografie

Anthony Dod Mantle

Montage

Justine Wright

Muziek

Alex Heffes

Prijzen

Filmduur

121 min

In het vel van Idi Amin Dada

THE LAST KING OF SCOTLAND brengt aan de hand van een jonge dokter, die zich in de omgeving van Idi Amin Dada laat opslorpen, een uitvoerige karakterschets van de moordzuchtige dictator die Oeganda regeerde van 1971 tot 1979. Nicholas Garrigan (James McAvoy, gedreven acterend en aankomende ster) is pas afgestudeerd als huisarts en vindt het leventje in Schotland verstikkend. Hij wil op avontuur en denkt van nut te kunnen zijn als arts in Oeganda. De medische post waar hij verzeild geraakt laat hij echter al gauw voor wat hij is, ook al liet hij er zijn oog vallen op Sarah (Gillian X-FILES Anderson), de vrouw van de hoofdarts. Idi Amin (Forest Whitaker, wat zwarter dan gewoonlijk, in de rol van zijn leven) in hoogsteigen persoon heeft de kordate Nicholas namelijk gevraagd om als adviseur voor hem te werken. Nicholas laat zich makkelijk ompraten. Nicholas gelooft in al zijn ijdelheid en naïviteit graag dat hij Oeganda zo pas echt kan helpen. Amin heeft op dat moment zijn ware aard nog niet onthuld. Nicholas, een personage dat door de auteurs is samengesteld uit verschillende Europese figuren die in de entourage van Amin vertoefden, wordt een intieme vertrouweling van Amin en laat zich meeslepen in diens neerwaartse spiraal. Hij beleeft aanvankelijk de tijd van zijn leven, krijgt een mooie auto en een luxueus appartement en legt het aan met een verstoten vrouw (Kerry Washington) van Amin. Het mag dan al duidelijk zijn dat dit niet lang kan duren. Uiteindelijk zal Nicholas finaal de vraag gesteld worden wat hij nu eigenlijk voor het land gedaan heeft?

Niks zo zal blijken, en dat is nog minder dan wat Amin voor Oeganda heeft betekend. Nicholas mag tegen dan een man geworden zijn, hij heeft zichzelf wel een zware levensles aangedaan. Hij zal proberen Oeganda te ontvluchten in de verwarring die ontstaat tijdens de kaping van een Frans toestel door de PLO op het vliegveld van Entebbe in 1976.

Het moet van THE AFRICAN QUEEN in 1951 geleden zijn dat Oeganda nog als decor heeft gediend voor een Europese of Amerikaanse film. In een razend tempo en dankzij een beklijvend scenario, gebaseerd op het boek van Giles Foden, vertelt regisseur Kevin Macdonald hoe het zo ver is kunnen komen met Nicholas, die de zelfzuchtige en onbehouwen rol van de Britten in Oeganda en Afrika personifieert. Het scenario heeft een veeleer conventionele structuur, maar de manier waarop Macdonald het brengt, is minstens even knap als wat hij deed met zijn docudrama TOUCHING THE VOID. Macdonald (kleinzoon van de bekende regisseur Emeric Pressburger over wie hij een biografie schreef) serveert een thriller van formaat door fictie te garneren met akelige feiten. Hoewel nadrukkelijk aanwezig gaat de filmische stijl niet op de loop met het verhaal. De stijl die Macdonald ontwikkelde met cinematograaf Anthony Dod Mantle (ook al vaste waarde bij Danny Boyle en Lars Von Trier) verbeeldt uitstekend hoe Nicholas verleid wordt door de charmes van Amin en verstrikt geraakt in diens web. Amin kon, geïnspireerd door onder meer de black power beweging, als geen ander op het gevoel van zijn bevolking inspelen en staat nu nog in het geheugen van de Oegandezen gegrift als een humoristische en charismatische leider die haast ondanks zichzelf verantwoordelijk is voor 300.000 doden. Forest Whitaker is uitermate op dreef en zelfs buiten beeld voortdurend aanwezig als de ambitieuze soldaat die er met zijn gezond boerenverstand niet geraakt en dan langzaam omslaat in een redenloze machtswellusteling die zich door zijn eigen omgeving verraden voelt. Ook al zijn alle ogen op Whitaker gericht, McAvoy houdt zich moeiteloos staande in zijn hoofdrol als dokter Garrigan.

Nico Krols in De Morgen 27 februari 2007

Interview met regisseur Kevin MacDonald                         Nico Krols in De Morgen 6 februari 2007.

Idi Amin is de Faust van Afrika.

Oeganda, Jinja. Kevin MacDonald is bezig aan een bekijkenswaardig palmares. Hij begon met enkele documentaires, maar schuift stilaan op richting fictie. Met THE LAST KING OF SCOTLAND gooit hij opnieuw hoge ogen, al was de productie die voor het grootste deel in Oeganda zelf plaatsvond, geen sinecure.
We volgen op de set de scène waarin dokter Nicholas Garrigan voor het eerst Idi Amin ontmoet.
Twee dagen draaien voor twee minuten film.
MacDonald ontmoeten we tijdens de lunch in de crewtent die op een wei is opgetrokken.

“Je houdt het soms niet voor mogelijk welke technische problemen opduiken. In een land als Oeganda kan je dat natuurlijk wel verwachten. Ik oefen in geduld. Op zich zou filmen in Oeganda niet zo’n probleem zijn, maar ze hebben hier hoe dan ook geen ervaring met film. Het verhaal situeert zich bovendien in een historisch kader, maar materiaal uit het verleden wordt hier nauwelijks bewaard. Veel rekwisieten of decors hebben we opgelapt of nagemaakt. Een lokale crew samenstellen was heksenwerk. Mecaniciens bleken niet altijd betrouwbaar. Je zal maar aan een scène beginnen en de limousine van Amin blijkt niet te rijden! Er is geen infrastructuur voor kostuums, niemand die iets van hairstyling kent. Gisteren gebeurde ei zo na een ramp toen Forest door het podium zakte. Dat lag natuurlijk weer aan de timmerlui die hun job te snel hadden afgehandeld. Ik mag er niet aan denken dat Forest zijn enkel had verstuikt of erger.
Moeilijk, moeilijk. Ik heb hier een ‘que sera, sera’-houding ontwikkeld. Je kan niks forceren en je bent verplicht je aan de mentaliteit aan te passen.”

Toch wilde je de film per se hier draaien?

“Ja, dat heb ik van mijn documentaire achtergrond. Ik ga er van uit dat het belangrijk is zo dicht mogelijk op het origineel te zitten. Ik ben nog altijd blij dat we hier kunnen draaien. Het is een fantastisch land en uiteindelijk is iedereen, van lokale bevolking tot regering, enorm behulpzaam geweest. We kennen problemen, maar ik geniet wel van de filmervaring op zich.”

Welke historische plaatsen hebt u gebruikt?

“O, allerlei plaatsen. Het parlementsgebouw in Kampala en het staatshuis in Jinja. En we konden hier ook over Amin’s authentieke limousines beschikken. Die dus niet werkten (lacht*). Veel mensen die meewerken hebben informatie over Amin uit de eerste hand. Het is allemaal nog aanwezig, al is het soms met een laag stof op. Het feit dat we hier zijn en de atmosfeer kunnen ademen, voedt de film. Dat moet aan het uiteindelijke resultaat te merken zijn. Zuid-Afrika heeft een filmindustrie met alle faciliteiten, maar het zou niet dezelfde film zijn. Alleen al het landschap en de architectuur zijn anders. Je hoort de talen en de accenten, je komt op de plaatsen waar Amin ook echt gestaan heeft. Voor de acteurs zijn het soms kleine dingen die het verschil maken tussen make-belief en de real thing.”

Hou je vast aan je documentaire stijl?

“Niet echt. Ik blijf wel een actieve, bewegende camera gebruiken, maar de film zal er veel meer gestileerd uit zien. Ik probeer de spontane momenten erin te houden, en ik werk een scène niet volledig uit wat camerastandpunten betreft. We doen veel takes, heel veel, en laten de camera mee de actie maken, wat in sommige scènes de stress van de situatie benadrukt. Ik veronderstel dat dit wel documentair overkomt. Door te laten gebeuren wat gebeurt, onverwachte reacties van acteurs die erin sluipen, hou je een documentair gevoel. In documentaires sluipen soms magische momenten binnen die je niet had zien aankomen. Dat bewaar ik in deze film, zeker omdat we werken met veel figuranten die nooit geacteerd hebben en de camera moeten vergeten. Je probeert ze op onverwachte en onbewuste handelingen te betrappen. Wanneer dokter Garrigan (rol van James McAvoy) in een scène aan een oudere vrouw vertelt dat een patiënt niet meer te redden is, begint die vrouw aan een soort ritueel gegil. Dat was compleet ongepland en raakte ons tot op het bot. James wist niet wat hem overkwam, maar kon zich beheersen zodat we dat moment hopelijk in de film kunnen gebruiken.”

Betekent deze werkwijze nog veel werk na het draaien?

“Dat klopt. Dat is ook weer de documentaire manier van filmmaken. Je let wel op een soort samenhang tussen wat je verzamelt, maar je verzamelt en verzamelt zoveel je kan, om dan daarna het beste te selecteren en de puzzel weer in elkaar te leggen. Dat belooft dus nog wat montagewerk te worden. Het klopt wat ze zeggen. Films worden drie keer gemaakt: tijdens het schrijven, tijdens het draaien en ten slotte tijdens het monteren.”

Waarom wilde je deze film verfilmen?

“Ik had het boek gelezen van Giles Foden en ik had al laten weten aan enkele producers, onder wie mijn broer, dat ik dat wel wilde verfilmen. Zeven jaar later kreeg ik een telefoontje van Andrea Calderwood die vroeg of ik het nog altijd wilde doen. We hebben het boek naar onze hand gezet, aanvankelijk samen met Foden. Ik heb literatuur gestudeerd, gewerkt als uitgever en als journalist en begon daarna mijn documentaires te maken. Die achtergrond heeft me bij dit project flink geholpen. Ik had ook al in Afrika rondgereisd.”

Als we hier met oudere Oegandezen praten, valt de dubbele houding op die ze tegenover Amin hebben. Voor hen was hij geen gewone tiran waar ze van af wilden.

“Raar hé. Ze praten eerst over zijn politieke ingrepen en zijn grappen, maar een poosje later in hun verhaal verneem je dat hij hun zuster of vader heeft laten ombrengen. Dat ze enerzijds zijn komische en charmante en anderzijds zijn horrorkant altijd combineren maakt Amin voor ons een bijzonder intrigerend personage. Hij begon met enorme idealen en kon een heel volk verleiden, maar liet zich verraden door zijn eigen karaktergebreken en raakte volkomen gecorrumpeerd. Uiteindelijk gaat het om een soort Faust-figuur, een Afrikaanse Faust.”

U schuift steeds meer op in de richting van fictie. Horen documentaires nu tot het verleden?

TOUCHING THE VOID en ook THE LAST KING hebben sowieso nog documentaire elementen. Maar nee, ik heb al plannen voor een nieuwe documentaire. Zowel fictie als documentaire hebben hun uitdagingen. Fictie laat je toe in iemands hoofd te kruipen, in documentaire moet je alles van buitenaf bekijken. TOUCHING THE VOID en THE LAST KING experimenteren met de combinatie van de twee.”

Het is voor het eerst dat u met sterren werkt als Whitaker en Anderson. Hoe verliep dat?

“Ik was best nerveus om echte acteurs te regisseren. In TOUCHING THE VOID werkte ik ook al met acteurs, maar die maakten de rampzalige tocht allemaal in zo’n barre omstandigheden mee dat ik ze niet meer moest regisseren (lacht). Voor deze film lag dat anders, maar ik realiseerde me op een gegeven moment dat het voor een groot deel over human relations gaat. Je hoort allerlei verhalen over acteurs die vreemd of moeilijk doen, maar eens je ze van dichtbij leert kennen, begrijp je waarom ze doen wat ze doen. In de loop van het filmproces is dat voor mij allemaal sterk gedemystificeerd geraakt.”

Had je het laatste woord over de casting?

“Ja, toch wel. Aanvankelijk wilde ik voor de rol van dokter Garrigan een ster die de film commercieel kon dragen omdat ik dacht dat het moeilijk zou zijn om voor de rol van Idi Amin een ster te vinden. Andrea had al lang geleden Forest Whitaker voorgesteld, maar dat zag ik helemaal niet zitten. Hij ging dat niet kunnen, hij was de verkeerde man, dat voelde echt fout aan. Toen we jonge Amerikaanse en Britse sterren ontmoetten voor de rol van dokter Garrigan zat ik met een probleem, want ik vond niemand echt gepast, of ze konden niet of ze wilden niet. Het is ook niet zo makkelijk om een goed acteur te vinden die geloofwaardig de overgang van jongen naar man kan maken. Dat is de fase waarin Garrigan zich bevindt. Toen ik James McAvoy zag, viel ik voor hem. Hij is momenteel de beste acteur van Schotland. James is buiten het VK niet bekend, maar toch wilde ik hem. We moesten dus op zoek naar een andere ster voor een andere rol. We hebben gezocht in Kenya en Zuid-Afrika en in de States heb ik zowat elke grote Afro-Amerikaanse acteur ontmoet. De meesten hielden van zo’n dubbelzinnige rol waar je als acteur flink mee kan uitpakken. Als we wilden, hadden we Samuel L. Jackson kunnen hebben. Toen Forest de auditieruimte betrad, was ik heel sceptisch. Ik verwachtte nog steeds niet dat hij de juiste man was. Maar ik was blij met zijn enthousiasme voor de film. Hij wilde het echt doen. Maar ik heb hem toen gewoon gezegd: ‘Forest, ik geloof niet dat jij een slechte kant hebt.’ Hij deed toen een scène die verschrikkelijk angstaanjagend was. Ik moest even bekomen, heb eens geslikt en gezegd: ‘Ok, jij hebt wel een slechte kant.’ (lacht) En dat was dat. Ik denk dat de rol voor Forest net op het goeie moment kwam. Hij zit in een vreemde periode in zijn leven, een soort midlifecrisis. Hij wilde weer gaan acteren, is gestopt met regisseren en heeft zijn productiefirma stopgezet. Hij zag deze lowbudgetfilm met sterke karakters als een uitdaging en een opportuniteit om zijn leven een nieuwe draai te geven. Hij vat dit Afrikaans avontuur op als een bijna spirituele ervaring. Het is niet gewoon werk.”

Hij ziet er ons alleszins erg toegewijd uit op de set.

“Ja, beter kan ik me niet voorstellen. Soms ben ik zelfs ongerust. Hij komt nooit los van zijn rol, ook naast de set niet. Hij wil Amin blijven. Hij begon drie maanden voor het draaien al met zich voor te bereiden. Hij heeft Afrikaanse geschiedenis geleerd, Swahili en nog een lokale Oegandese taal. Oegandezen zijn verbluft door zijn accent. Elke avond zit hij of tussen Oegandezen of hij leert het script. Behoorlijk method allemaal. Niks op tegen (lacht).”
(roept naar tweede assistent): “Elliot, wanneer moeten we terug?
Over dertig seconden? Oké man, dat was het. Bedankt en tot vanavond in de bar waar de whisky op is.”