FilmMagie-logo-white

La Leggenda del Santo Bevitore

(1987,
ITA, FRA)
(1987,
ITA, FRA)
28 januari 1992

Regisseur

Ermanno Olmi

Producer

Aura Film, Cecchi Gori Group, Tiger, Raiuno & Telemax

Scenario

Ermanno Olmi & Tullio Kezich, naar de novelle van Joseph Roth

Acteurs

Rutger Hauer (Andreas Kartak), Anthony Quayle (oude heer), Sandrine Dumas (Gaby), Dominique Pinon (Woitech)

Cinematografie

Dante Spinotti

Montage

Paolo Cottignola & Fabio Olmi

Muziek

Igor Stravinsky

Prijzen

Filmduur

125 min

Regisseur

Op het filmfestival van Venetië 1988 verwierf LA LEGGENDA DEL SANTO BEVITORE de gouden Leeuw. Toch duurde het lang vooraleer in België een filmverdeler werd gevonden. De reden ligt in het karakter van Olmi’s filmkunst. Ermanno Olmi, geboren in 1931 bij Bergamo, is een streekgenoot van Johannes XXIII. Van vaderszijde is hij een kind van de Bergamaske boerentraditie waaraan hij in zijn meesterwerk L’ALBERGO DEGLI ZOCCOLI – DE KLOMPENBOOM een onvergankelijke hulde heeft gebracht. Olmi is steeds aan zijn geboortestreek en haar katholieke, landelijke cultuurtraditie trouw gebleven. Zijn levenswijze en zijn films getuigen daarvan. Met zijn echtgenote Loredana Detto – de vrouwelijke hoofdrol in zijn eerste langspeelfilm IL POSTO – woont hij op het Alpenplateau van Asiago. Daar neemt hij deel aan het dagelijkse leven en schrijft zijn scenario’s. CAMMINA, CAMMINA (1983) en de ingehouden satire LUNGA VITA ALLA SIGNORA (1987) vormen met LA LEGGENDA DEL SANTO BEVITORE een soort trilogie. Het zijn bijna ongekende meesterwerken voor het Italiaanse en het Europese filmpubliek. Zowel de filmpers als de distributie gunden ze geen plaats. Jules Segers formuleert het aldus: “De meeste bioscoopgangers willen een verhaal zien dat spannend, amusant of tragisch is. In de films van Olmi is daar hoegenaamd geen sprake van, ze zijn vrijwel uitsluitend gericht op het evoceren en suggereren van een levensgevoel. Bovendien zijn Olmi’s acteurs geen gevierde vedetten maar doodgewone mensen, behalve in Santo Bevitore waar Rutger Hauer de clochard vertolkt. Als autodidactische filmauteur noemt Olmi het leven zelf zijn leerschool. Maar dat film, meer dan welk ander medium, ook met het concrete leven kan verbonden zijn, heeft het Italiaanse neorealisme van vooral Roberto Rossellini hem bijgebracht. Olmi’s films zijn een oog, een zicht op de wereld. Zegt Olmi zelf: “Het is beter mijn films gewoonweg als documentaires te beschouwen, ik zou zelfs durven zeggen als reportages over mensen, wezens van vlees en bloed aan het werk. Het soort werk dat ze doen doet er niet toe.” Olmi is een filmMAKER: alle stappen van de filmproduktie neemt hij meestal voor eigen rekening: onderwerp, script en scenario, keuze van acteurs, locaties. decor, kleding, camerawerk en montage. In de film LA LEGGENDA DEL SANTO BEVITORE doet Olmi enkele toegevingen: hulp voor montage en voor fotografie, een scenario dat niet gebaseerd is op een zelf bedacht onderwerp maar op het verhaal van Joseph Roth, een paar vedetten als acteurs .

Olmi is eenzaat in de Italiaanse filmwereld. Hij leeft ver van het filmcentrum in Rome. In 1983 opende hij een filmschool in Bassano del Grappa, dicht bij Venetië; hij wil er studenten vormen tot filmdichters i.p.v. onderdelen van de filmindustriemachine of exponenten van een oppervlakkig cultureel wereldbeeld. In zijn films toont Olmi zonder complexen zijn katholieke overtuiging en dat is voor de Italiaanse anticlericale, linkse filmpers een al te gewaagd standpunt.

Filmverhaal

Vanaf het begin van de film neemt Olmi de kijker mee langs de ongewone, spirituele weg van de religieuze communicatie. Een oude man, zwart en voornaam gekleed, komt de stenen trap af aan een oever van de Seine. Hij kijkt rond alsof hij iemand zoekt. Op dat ogenblik merkt hij de hem onbekende clochard Andreas Kartak op. Deze ziet er sjofel uit, behoort tot de groep Parijse bruggenslapers en verraadt door zijn onzekere stap dat hij te diep in het glas heeft gekeken. De oude man spreekt Andreas aan met de betekenisvolle woorden: “Waar ga je heen, broeder?” Andreas weet niet wat hem overkomt. Hij reageert ietwat verbouwereerd: “Ik wist niet dat ik een broer had en ik weet niet waarheen de weg mij leidt.”

Zo begint voor Andreas een wonderlijke ontmoeting die zijn leven grondig zal veranderen en zijn doelloze gang door de stad oriënteren in tijd en ruimte. De oude man dringt er op aan Andreas 200 FF te lenen, weigert ze terug te krijgen maar vraagt het geleende geld te gaan offeren aan de H. Teresia van Lisieux. Haar votiefbeeld staat in het kerkje van Sainte Marie des Batignolles. Andreas belooft dit op een zondag te doen. Vanaf nu krijgen de dagen en de stappen van Andreas een vaste richting.

Drie achtereenvolgende zondagen probeert hij, geconfronteerd met allerlei storende ontmoetingen, zijn belofte na te komen. De wonderlijke ontmoeting aan de Seine maakt van Andreas’ zwerftocht door Parijs een bedevaart.

Bespreking

Eigenlijk is het onbegonnen werk in enkele regels de creatieve vormgeving en de diepere zin van deze film te verduidelijken. In een interview zegt Olmi over zijn personages: “Ik wil de geschiedenis vertellen van mensen die in de ogen van hen die de geschiedenis maken ‘zonder geschiedenis’ zijn. Zonder groot vertoon en straatprotest wil ik de anonieme mens terug plaatsen in de context en op de plaats die hij verdient.”

De tocht van Andreas door Parijse straten voltrekt zich als een bedevaart. Het is voor hem een genadetocht; de wonderen van de genade komen echter niet uit de hemel gevallen, het zijn geen magische gebeurtenissen die in de stijl van een deus ex-machina in beeld moeten worden gezet. De tekens van God verschijnen niet als bovennatuurlijke ingrepen. Als begaafd kunstenaar weet Olmi dat een religieuze werkelijkheid voor de mens, levend op de aarde, alleen maar in zeer concrete en tastbare beelden toegankelijk is. Hij ent dit inzicht op de fundamentele christelijke ervaring dat God mens onder de mensen werd met Kerstmis. Andreas ontdekt dat de eigenaardige ontmoetingen, die hem overkomen tijdens zijn tocht, goddelijke genadetekens zijn. De wonderen hebben een aardse, concrete gestalte in mensen van vlees en bloed zoals de oude man, de lijvige kleermaker, de verkoopster in de lederzaak, de vrouwen uit het huis van lichte zeden, Karoline, Kan jak, Gaby, Woitech, de caféhouder van Le Paradoxe, het meisje Thérèse  Maar de wonderen zijn eveneens tastbare voorwerpen: de twee biljetten van 100 FF, de twee portefeuilles, Tari Bari, Le Paradoxe, Sainte Marie des Batignolles, het beeldje van H. Teresia. Ook de natuur, herfst, regen, speelt een rol in de bedevaart van Andreas. Wie enkel oog heeft voor de dramatische spanning, die met de 200 FF verbonden is mist de pointe van dit sublieme werk. Voor de aandachtige kijker is Andreas helemaal geen mislukkeling. In de religieuze wereld van de oude man verliezen de 200 FF hun telwaarde: ze veranderen van waarde en gaan deel uitmaken van het menselijk hart, zijn integriteit, zijn geweten. Vanaf het begin staat de tocht van Andreas in het teken van de dood. De proloog duidt de dood beeldend aan in de zwart geklede oude man en de dronken clochard. In de spiegel van de dood verschijnen voor de ogen van Andreas de personen die in zijn leven een voorname rol hebben gespeeld: zijn Poolse ouders, een Poolse schoolkameraad Kanjak, zijn verboden liefde Karoline, zijn gewezen werkmakkers in de figuur van Woitech. De figuren van Thérèse en Gaby vertegenwoordigen geen reële gebeurtenissen maar wel verwachtingen van Andreas.

Olmi plaatst zijn filmparabel in de herfst, die hij typeert door wegwaaiende vergeelde bladeren en door de herhaaldelijk terugkerende herstblauwe kleur. Als muzikale begeleiding kiest Olmi muziek van Igor Stravinsky die vooral in zijn later werk een sterk religieus karakter bezit. De laatste tocht van Andreas naar Sainte Marie des Batignolles wordt gedragen door koormuziek uit de Symphony of Psalms van Stravinsky die Vulgaatteksten gebruikt o.a. uit psalm 40. Daarin hoor je volgende tekst: “Op de komst van de Heer heb ik vurig gewacht. Hij boog zich over mij en hoorde mijn schreeuw.

Olmi toont ons niet de wereldstad Parijs van de grote historische monumenten en toeristische trekpleisters. Hij herbouwt Parijs met in het middelpunt van het stadsbeeld het kerkje van Sainte Marie des Batignolles. Hij filmt ze als een architecturale en- stille ruimte die getuigt van de wonderlijke ontmoeting van de mens met God. Daar prevelt op de drempel van de dood Andreas, de man zonder adres, “God, geef ons, drinkers, een zo zacht en zo mooi mogelijke dood ”

samengelezen door Paul De Vries, aalmoezenier K FL — Antwerpen