FilmMagie-logo-white

Depuis qu'Otar est parti

(2003,
Frankrijk – België)
(2003,
Frankrijk – België)
2004

Regisseur

Julie Bertucelli

Producer

Yael Fogiel, Diana Elbaum – Les Films du Poisson-Entre Chien et Loup

Scenario

Julie Bertucelli, Roger Bohbot en Berenard Renucci

Acteurs

Esther Gorintin, Nino Khomassouridze, Dinara Droukarova Temour Kalandadze, Roussoudan Bokvadze, Sacha Sarickvili, Douta Skhirtladze

Cinematografie

Christophe Pollock

Montage

Emmanuelle Castro

Muziek

Arvo Pärt

Prijzen

César beste debuut 2004. Grote Prijs Semaine de la Critique Cannes 2003.

Filmduur

102 min

Introductie

Drie vrouwen leven in een appartement dat uitpuilt van de boeken in Tbilisi, de hoofdstad van wat ooit de Sovjetrepubliek Georgië was. Eka is de grootmoeder, erg oud, maar vastberaden. Marina is haar dochter, zo tegen de vijftig, die de ene keer hooghartig is, dan weer met haar gevoelens nauwelijks blijf weet. Ada, achteraan in de twintig, is Marina’s dochter. Ze studeert filologie en het leven dat ze momenteel leidt is ze min of meer moe. Eka moet een Franse geweest zijn die met haar man, een Sovjet uit Georgië en overtuigd communist, naar Tbilisi reisde. Zij ook denkt nog steeds dat Stalin een groot man was. Marina zegt dat hij een moordenaar was. Ada kan bijna niet geloven dat ze die discussie nog altijd voeren.
Hun kleine optrekje wordt omgetoverd tot een arena wanneer Eka de tv opzet en zowel Marina als Ada hun cd-spelers harder zetten.

Context en regie

Documentairemaakster Julie Bertucelli baseerde haar speelfilmdebuut op een waargebeurd verhaal, maar kleurde de feiten zo in dat je de film ook als satire kunt opvatten. Zoals de slaapkamer van de moeder uit ‘Good bye, Lenin!’ een micro-DDR is, zo lijkt deze schijnwereld een metafoor voor het Georgië uit de Sovjet-tijd, en voor de problemen waarmee drie generaties Georgiërs te kampen hebben nu de communistische heilstaat heeft afgedaan. Het land ligt er vervallen bij, de water- en elektriciteitsvoorziening laat het voortdurend afweten, en in het ziekenhuis word je pas behandeld als de artsen hun schaakpartijtje hebben afgerond.
“Stalin had hier wel raad mee geweten!” snauwt Eka wanneer het weer tijd is om de kaarsen aan te steken.
DEPUIS QU’OTAR EST PARTI is als familieportret echter waardevoller dan als satire. Bertucelli’s aandacht gaat in de eerste plaats uit naar het intieme relaas van die drie aan elkaar geklonken vrouwen, met een aandachtige camera die voornamelijk meebeweegt met Marina, Ada en Eka en die dus ook stilstaat wanneer zij dat doen. Samen een taartje eten, Marina die Eka’s haar wast, Ada die haar oma Proust voorleest en tegelijkertijd haar voeten masseert, door Bertucelli’s mensgerichte stijl ontstaat er volop tijd voor zulke scènes van alledaagse schoonheid, en wordt zonder veel gedoe kraakhelder hoe de vrouwen zich tot elkaar verhouden.

Vertolking

DEPUIS QU’OTAR EST PARTI is een conventioneel melodrama, maar maakt het buitengewoon door de acteerprestaties. De personages zijn zo goed door de acteurs gekend, zo intens geobserveerd, zo direct tot leven gebracht voor het publiek dat het verhaal voor ons een gelegenheid lijkt te vormen om hen te ontmoeten. Bertucelli weet opnieuw en opnieuw te ontroeren door simpelweg het leven te tonen van deze mensen die hun leven leiden. Maar kijk naar de manier waarop deze acteurs zich bewegen. Elke stap, elk gebaar, doet vermoeden dat ze hun personages al heel lang kennen. De vrouwen gebruiken een soort verbaal en fysiek steno waarmee ze benadrukken wat onuitgesproken blijft. Eka is altijd zelfzeker. Marina is nooit tevreden (“Ik wou dat ik van je hield”, zegt ze tegen haar vriend). Ada is het allemaal beu en voelt zich gevangen.
Hun flat vol oude rommel wordt echter gedomineerd door iemand die er niet is – Otar, Eka’s zoon die, verhuisd naar Parijs, op zoek is naar werk. Hij telefoneert regelmatig, maar de lijn is gestoord. Hij stuurt geld, maar de post werkt niet goed. Ten tijde van Stalin ging dat allemaal beter volgens Eka. Wanneer het nieuws komt dat Otar in een ongeval is omgekomen, besluit Marina het te verzwijgen voor de oude Eka, om haar te sparen. Dit leidt tot een herkenbaar spel van misleiding, dat sterk aan ‘Good Bye Lenin’ doet denken dat u afgelopen seizoen bij FilmMagie zag.
Minder herkenbaar en des te fascinerender is de weg die Eka, direct en zonder aarzelen, aflegt naar de waarheid. Ze neemt zich voor naar Parijs te gaan om haar zoon te bezoeken, neemt dochter en kleindochter mee en beseft dat “die twee mij een rad voor de ogen draaien”.
De scène waarin zij haar sigaretjes rookt, is maar een van de fantastische momenten die duidelijk maken dat ze een eigen leven en wil heeft. Met een minder sterk karakter zou dit al gauw gaan lijken op een dagje uit voor oma. Nu is Eka een vrouw die haar lot in eigen handen neemt, en hoe.
Bertucelli kijkt recht in het diepste van haar karakters en heeft er de acteurs voor gevonden. Acteurs die maar een fractie minder op elkaar zijn ingespeeld zouden lijken alsof ze elkaar die dag voor het eerst gezien hebben.

Naar Roger Ebert in Chicago Sun-Times Inc. 25juni 2004
en Kevin Toma in de Filmkrant, januari 2004, nr 251

Nico Krols, medewerker FilmMagie-Antwerpen

Ook in F&TV nr. 541