Regisseur
Producer
Scenario
Acteurs
Cinematografie
Montage
Muziek
Prijzen
Filmduur
Het sobere ‘Amrum, 1945’ maakt de oorlogshorror voelbaar: niet met tanks of mitrailleurs, maar met kleine, gruwelijke tableautjes.
Humo’s filmrecensent Erik Stockman keek in de bioscoop naar ‘Amrum, 1945’ van regisseur Fatih Akin en zag een oorlogsdrama dat zich afspeelt op een zeer ongewone plek. ‘Verwacht geen wapengekletter à la ‘Dunkirk’: dit is een sobere, mooi meanderende, op locatie opgenomen film die een beetje doet denken aan melancholische coming-of-ageclassics als ‘Stand by Me’ en ‘La gloire de mon père’.’
De nieuwe film van Fatih Akin (‘Gegen die Wand’) ontvouwt zich op een hoogst curieuze plek en in een vreemd kantelend tijdsgewricht.
De locatie is Amrum, een Duits Waddeneilandje waar de inheemse bewoners Öömrang praten, een Fries dialect dat we slechts een klinkertje minder charmant vinden dan onze eigen Limburgse tongval. Wie ooit per elektrische fiets al flitsend en rinkelend de Waddeneilanden onveilig heeft gemaakt, of het Suske & Wiske-album ‘De woelige wadden’ heeft gelezen, weet ongeveer hoe zo’n zandbult eruitziet: een beetje Bokrijkachtig, zo plat als een pladijs, en bevolkt met lieden die een beetje neerkijken op de vastelanders en door alle ramen van hun in de tijd bevroren en door het zand geschuurde huisjes de zee kunnen zien.
De datum is april 1945: het zijn de laatste dagen van het Derde Rijk, de Russen naderen Berlijn, eensgezinde vaderlandsliefde maakt plaats voor bittere tweedracht. Hier en daar wapperen nog hakenkruisvlaggen, maar sommigen durven al luidop te verkondigen dat het goed is dat het bijna afgelopen is met Hitlers rotoorlog. Amrum bevindt zich, wellicht net zoals de rest van Duitsland in die tijd, ergens tussen ontnuchtering en voorzichtige opluchting, en het is in díé bevreemdende, bijzonder knap geschetste atmosfeer dat de 12-jarige Nanning zich realiseert dat hij in een lastig parket zit. Zijn afwezige vader is een hooggeplaatste nazi, zijn moeder verafgoodt Adolf, en hijzelf maakt deel uit van de Hitlerjugend. Kortom: gisteren behoorde hij nog tot de triomfators, maar nu het tij aan het keren is, begint Nanning te beseffen dat zijn gezin aan de foute kant van de geschiedenis staat.
Aldus laat Akin een snijdende tragiek over het verdeelde eiland neerdalen. De cineast is daarbij soms niet vies van het theatrale gebaar: nét wanneer de radiopresentator op überplechtige toon bekendmaakt dat Hitler er geweest is, gutst bij Nannings hoogzwangere moeder, een nazisympathisante van het zuiverste water, het vruchtwater er in één gulp uit. Ergens snappen we het wel: het nieuws dat de Führer dood is, komt bij sommige Duitse onderdanen zó hard aan dat het hun geest, hun trots én hun vliezen breekt.
Om zijn terneergeslagen mama een plezier te doen, gaat Nanning op het eiland op zoek naar een witbrood met boter en honing. Zijn speurtocht naar de juiste ingrediënten neemt algauw de allure aan van een levensveranderende queeste: hij leert konijnen villen, ontdekt de waarde van gedroogde schollen, botst op vluchtelingen die het niet al te best met hem menen, en wordt op een smalle landtong verrast door de razendsnel opkomende vloed. En kijk eens aan: net zoals Lambik in ‘De woelige wadden’ speelt hij voor zeehond!
Verwacht dus geen kletterende oorlogsfilm à la ‘Dunkirk’: op een overvliegend eskader bommenwerpers na valt er op Amrum eigenlijk weinig te merken van het harde oorlogsgeweld. Dit is een sobere, mooi meanderende, op locatie opgenomen film die qua stemming soms een beetje doet denken aan melancholische coming-of-ageclassics als ‘Stand by Me’ en ‘La gloire de mon père’.
Toch maakt Akin de oorlogshorror wel degelijk voelbaar: niet met rollende tanks of knallende mitrailleurs, maar aan de hand van vluchtige momenten en kleine, soms gruwelijke tableautjes. De aangespoelde dode piloot met de uitgerukte ogen. De nazinonkel die Nanning de kernwaarden van de Hitlerjugend laat opdreunen en hem als beloning een potje suiker geeft. De moeder die bij de slager verneemt dat haar voedselbonnen niets meer waard zijn, en dat er vanaf nu met dollars moet worden betaald.
Akin laat ons naar die taferelen kijken door de ogen van een 12-jarig kind, maar door die melancholische toon voelt het nog veel meer alsof we in het perspectief zitten van een oude man die onthecht en gelouterd terugblikt op de laatste oorlogsdagen, toen het befaamde Duitse schuldgevoel al op Amrum begon in te beuken. En zie: achteraf hebben we gelezen dat het verhaal is gebaseerd op de herinneringen van de op Amrum opgegroeide en intussen overleden Hark Bohm, een oude kompaan van de grote Rainer Werner Fassbinder. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat Bohm zelf ging regisseren, maar toen hij ziek werd, nam zijn vriend en leerling Fatih Akin het project van hem over.
Het mooiste is nog dat de film culmineert in een onbeschrijflijk hoopgevend gebaar. De volwassenen hebben het verknald, zo benadrukken de slotbeelden, maar er is altijd de hoop dat onze koters het in de toekomst beter gaan doen dan wij. Zoals Yoda ooit zei: wij zijn datgene waar zij bovenuit groeien.
Erik Stockman in Humo, 9 mei 2026